Hoe wordt de diagnose persoonlijkheidsstoornis gesteld?

Het stellen van de diagnose persoonlijkheidsstoornis of persoonlijkheidsprobleem is complex. Ook moet u dat nooit zien als een etiket voor heel uw leven. In tegendeel, vaak verandert het beeld en/of de last die u er van heeft gedurende het leven. Bij behandeling zal dit nog meer optreden. Bij mensen met een borderline persoonlijkheidsstoornis bleek bijvoorbeeld dat na behandeling minder dan 25% nog maar aan de criteria voor de diagnose borderline voldoet. Ook is er een grote mate van verschil in ernst. Het kan zo zijn dat u net aan de criteria voldoet, maar er zeer veel last van heeft.

Systeem van criteria

De diagnose persoonlijkheidsstoornis wordt gesteld als iemand aan de criteria voldoet van de DSM-IV. Dit is een vrij grof en algemeen systeem van criteria. De DSM-diagnose is noodzakelijk om te bepalen wat u qua behandeling nodig heeft. Daarnaast kan middels deze diagnose aan de ziektekostenverzekeraar worden verantwoord wat het voor soort behandeling is. In de praktijk is het voor de behandelaar echter veel belangrijker uit te gaan van een preciezere en genuanceerdere beschrijving van wat er aan de hand is. Het is ook belangrijk dat u zich daarin herkent en erkend voelt zodat u samen aan verbetering kunt werken.

In de praktijk

In de praktijk zullen wij daarom eerst kijken of een van de persoonlijkheidsstoornissen die beschreven staan in DSM-IV bij u kan worden vastgesteld. Maar we gaan ook altijd met u in gesprek over wat de belangrijkste knelpunten zijn in bijvoorbeeld uw relaties, hoe u over u zelf denkt, wat u voelt en ervaart als u met stress wordt geconfronteerd, etcetera.

Criteria DSM-IV

Het DSM handboek geeft de volgende criteria voor persoonlijkheidsstoornissen:

A. Een duurzaam patroon van innerlijke ervaringen en gedragingen die duidelijk binnen de cultuur van betrokkene afwijken van de verwachtingen. Dit patroon wordt zichtbaar op twee (of meer) van de volgende terreinen:

  1. Cognities: wijze van waarnemen en interpreteren van zichzelf, anderen en gebeurtenissen
  2. Affecten: draagwijdte, intensiteit, labiliteit en adequaatheid van emotionele reacties
  3. Functioneren in het contact met anderen
  4. Beheersen van impulsen.

B. Het duurzame patroon is star en uit zich op een breed terrein van persoonlijke en sociale situaties.

C. Het duurzame patroon veroorzaakt in significante mate lijden of beperkingen in het sociaal en beroepsmatig functioneren of het functioneren op andere belangrijke terreinen.

D. Het patroon is stabiel en van lange duur. Het begin kan worden teruggevoerd naar ten minste de adolescentie of de vroege volwassenheid.

E. Het duurzame patroon is niet eerder toe te schrijven aan een uiting of de consequentie van een andere psychische stoornis.

F. Het duurzame patroon is niet het gevolg van de directe fysiologische effecten van een middel (bijvoorbeeld drug, geneesmiddel) of een somatische aandoening (bijvoorbeeld schedeltrauma).

 

 

Sitemap